Lubbers en Dijk

Lubbers en Dijk notarissen is een zelfstandig notariskantoor aan het Vondelpark met meer dan vier decennia ervaring in de Amsterdamse praktijk. We houden ons dagelijks bezig met de algemene praktijk, zoals personen- en familierecht, ondernemingsrecht en vastgoedrecht. Wat ons onderscheidt van anderen, is dat wij deze verschillende rechtsgebieden waar nodig prima weten te combineren. Lubbers en Dijk notarissen verbindt het en legt het vast voor nu en later.

Lees verder

home_notarissen

Bereikbaarheid

In 2015 zijn wij wegens werkzaamheden aan de Koningslaan minder goed bereikbaar.

Per auto is het parkeerterrein benaderbaar vanaf de Prins Hendriklaan. U kunt gebruik maken van het (zelf te bedienen) gele hek waarna u door het werkgebied richting ons kantoor wordt geleid.

Nieuws

Twee uitspraken over de zuivere aanvaarding van een nalatenschap

20/04/2015
  Artikel uit het juridisch tijdschrift Juridische Berichten voor het Notariaat (JBN 2015/2) auteur: mr. P.J.F.M. Le Cat   Twee uitspraken over de zuivere aanvaarding van een nalatenschap   De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1489) een uitspraak gedaan over de vraag of een nalatenschap als aanvaard geldt, in het geval een erfgenaam ten behoeve van een nalatenschap optreedt en verweer voert in een gerechtelijke procedure. Eerder in 2014 (8 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1799) oordeelde het Hof ’s-Gravenhage over de vraag of het betalen van een etentje van erfgenamen ten laste van de nalatenschap gezien moet worden als een daad van zuivere aanvaarding. Voor beide uitspraken geldt dat de grens tussen het verrichten van daden van beheer en die van beschikking, na eerdere feitenrechtspraak, scherper is getrokken. Verder komt het Wetsontwerp “betos” door genoemde uitspraken in de belangstelling te staan.   Casus arrest Hoge Raad 20 juni 2014 Erflater I is in wettelijke algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw E en heeft twee kinderen, te weten zoon D en dochter T. Aan I is in het jaar 2008 een persoonsgebonden budget (PGB) van € 72.443,13 toegekend door VGZ, welk PGB is bestemd voor de “persoonlijke verzorging, verpleging, individuele begeleiding en groepsbegeleiding (al dan niet met vervoer)” van I. Op de door I opgegeven rekening zijn in 2008 voorschotten gestort ten bedrage van totaal € 64.370,08. Een deel van deze voorschotbetalingen is verricht nadat I op 9 juni 2008 was overleden. Omdat naar het oordeel van VGZ onvoldoende verantwoording was afgelegd over de besteding van het betaalde voorschot, heeft VGZ bij beschikking van 17 december 2008 het PGB van I op nihil bepaald en het bedrag van € 64.370,08 (te vermeerderen met wettelijke rente en kosten) in rechte teruggevorderd. De rechtbank veroordeelt moeder E, zoon D en dochter T bij verstekvonnis van 8 september 2010 hoofdelijk tot betaling van voormeld bedrag. Tegen dit vonnis komen partijen in verzet. In een comparitie voor de rechtbank verklaart moeder de formulieren waarin de besteding werd verantwoord, steeds tijdig naar VGZ te hebben toegestuurd en aldus netjes aan de verplichtingen voortvloeiend uit het PGB te hebben voldaan. En verder: door familie en vrienden werd 24-uurszorg gegeven en het geld is contant aan hen betaald. Bewijsstukken zijn daarvan niet. Zoon D verklaart geen geld te hebben ontvangen en de zorg uit liefde voor zijn vader te hebben verleend. De rechtbank Arnhem bekrachtigt het verstekvonnis op 4 mei 2011 en veroordeelt moeder E, zoon en dochter tot betaling wegens “wanprestatie” (6:74 BW) omdat zij hun verplichting om verantwoording af te leggen aan VGZ over het ontvangen PGB niet zijn nagekomen. Voordien hebben moeder E, zoon D en dochter T de nalatenschap bij akte van 21 februari 2011 verworpen toen hen bekend werd wat de exacte omvang van de nalatenschap was. Moeder berust in het vonnis, zoon D en dochter T gaan in hoger beroep bij het Hof Arnhem. Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank de vordering ten onrechte heeft afgedaan als “wanprestatie”. Het Hof oordeelt dat het bedrag “onverschuldigd” (6:203 BW) door VGZ is voldaan. “Het gaat hier immers”, aldus het hof, “om voorschotten naar aanleiding van een toekenning van PGB-gelden voor de besteding waarvan, zoals de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld, geen verantwoording is afgelegd.” Bij arrest van 18 december 2012 oordeelt het hof vervolgens dat de verstrekte PGB-gelden, mede gelet op de bestemming daarvan (persoonlijke verzorging etc. ) en gelet op het feit dat bijvoorbeeld de persoonlijke verzorging ook tegen betaling door de echtgenote van I kan worden verricht, een hoogst persoonlijk karakter dragen. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de bijzondere wijze waarop deze betalingen met de budgethouder I zijn verknocht, zich ertegen verzet dat de betaalde voorschotten in de gemeenschap van goederen zijn gevallen (HR 7 december 2012, LJN BY0957). Vervolgens oordeelt het hof in r.o. 3.14: “3.14 [appellanten] (D. c.s., PLC) zijn – kort weergegeven – op vordering van VGZ bij verstekvonnis van 8 september 2010 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 64.370,08 te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Tegen dit verstekvonnis hebben zij bij dagvaarding van 19 oktober 2010 verzet ingesteld en in de daarna volgende procedure zijn zij op 28 januari 2011 ter comparitie verschenen en hebben zij zich verweerd tegen de vordering van VGZ. Dit verweer, dat het standpunt impliceert dat [appellanten] als erfgenamen van [x] (erflater I., PLC) aanspraak kunnen maken op de door VGZ onverschuldigd aan [x] (erflater I., PLC) betaalde bedragen en erop is gericht om als erfgenamen te kunnen (blijven) beschikken over deze bedragen, dient te worden opgevat als een daad van stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap van [x] (erflater I., PLC). Aan de verwerping van die nalatenschap bij akte van 21 februari 2011, komt derhalve geen betekenis toe.” Het hof wijst de vordering van VGZ toe en veroordeelt zoon en dochter ieder voor 1/3e “als erfgenamen” tot terugbetaling van een bedrag van € 21.456,69, te vermeerderen met wettelijke rente en tot voldoening van de kosten van het geding. Het hof veroordeelt de erfgenamen – anders de rechtbank – tot betaling naar rato van hun erfdeel, wat - gelet op art. 4:182 lid 2 BW – juist lijkt, nu de prestatie deelbaar is en uit niets blijkt dat erfgenamen zich hoofdelijk jegens VGZ hebben verbonden. D gaat van het arrest van het Hof ’s-Gravenhage in cassatie.   De Hoge Raad oordeelt: 3.4.4 In zijn arrest van 26 april 1968, NJ 1969/322, heeft de Hoge Raad overwogen dat het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden, afhangt van de omstandigheden van het geval. 3.4.5 Opmerking verdient dat de enkele omstandigheid dat een erfgenaam ten behoeve van de nalatenschap optreedt in een procedure, niet zonder meer meebrengt dat hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt (art. 4:192 lid 2 BW). Dat optreden kan immers ook als een daad van beheer worden uitgelegd. Ook in dit verband hangt het van de omstandigheden af, of door dat optreden de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen. 3.5.1 De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het oordeel van het hof in rov. 3.14 dat onder meer D. de nalatenschap van de vader stilzwijgend heeft aanvaard, is klaarblijkelijk gebaseerd op de in samenhang beoordeelde feiten en omstandigheden (i) dat VGZ D. in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de vader heeft aangesproken tot terugbetaling van voormelde voorschotbetalingen (…), (ii) dat D., toen nog samen met zijn moeder en zuster, met bijstand van een advocaat in verzet is gekomen tegen het verstekvonnnis van de rechtbank, (iii) dat de verzetdagvaarding de hiervoor in 3.2.1 vermelde passages bevatte (die passages betroffen de verklaring van partijen dat zij wel aan alle verplichtingen uit het PGB jegens VGZ hebben voldaan, PLC) (iv) dat D ter comparitie in eerste aanleg het hiervoor in 3.2.2 aangehaalde verweer heeft gevoerd tegen de vordering (het verweer hield in: vrienden hebben 24-uurs zorg verleend, het geld is aan vrienden uitgekeerd, de zoon heeft geen geld gekregen, PLC), en (v) dat klaarblijkelijk mede door of namens D. ter comparitie het verzoek is gedaan om bij akte nog bewijzen van de (juiste) besteding van het PGB in het geding te mogen brengen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij verdient opmerking dat, anders dan de onderdelen aanvoeren, niet pas kan worden geoordeeld dat een erfgenaam de erfenis ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft aanvaard als daarover bij de wederpartij geen enkele twijfel heeft bestaan (zie het hier in 3.4.4. aangehaalde arrest HR 26 april 1968, NJ 1969/322).” 3.5.2 Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk gemotiveerd, ook niet in het licht van hetgeen hiervoor in 3.4.5 is vooropgesteld. Uit de hiervoor in 3.5.1 onder (i)-(v) aangehaalde feiten en omstandigheden, in samenhang beoordeeld, kon het hof afleiden dat ook D. in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de vader als heer en meester wenste te (blijven) beschikken over de door VGZ – naar inmiddels vaststaat: onverschuldigd – aan de vader betaalde bedragen. Uit het verweer van de erfgenamen volgt immers dat zij zelf nauw betrokken zijn geweest bij de besteding van de voorschotbijdragen, terwijl bovendien een deel van de betalingen is verricht na het overlijden van de vader. 3.5.3 Hieraan doet niet af dat D., zoals hij stelt, nooit iets heeft ontvangen van de door VGZ uitgekeerde bedragen. Het antwoord op de vraag of hij daadwerkelijk enig bedrag van de door VGZ onverschuldigd voldane voorschotbetalingen heeft ontvangen, is immers niet van belang bij de beoordeling of hij als erfgenaam de nalatenschap van de vader stilzwijgend heeft aanvaard. 3.5.4 Anders dan met name onderdeel 2.1.2 aanvoert, is het hof wel degelijk ten aanzien van iedere erfgenaam afzonderlijk nagegaan of de nalatenschap van de vader stilzwijgend is aanvaard, en is het meer in het bijzonder ook ten aanzien van D. tot het oordeel gekomen dat dit het geval is. Dit onderdeel mist dus feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad verwerpt het beroep.   (Stilzwijgende) zuivere aanvaarding. Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving. (4:190 BW). Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap (art. 4:190 BW). De zuivere aanvaarding wordt geregeld in art. 4:192 lid 1 BW. Zuivere aanvaarding heeft tot gevolg dat de erfgenamen de erflater van rechtswege opvolgen in diens bezittingen en schulden (4:182 BW). Ieder van de erfgenamen is verbonden voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij de erfgenamen hoofdelijk zijn verbonden. Een erfgenaam aanvaardt een nalatenschap door zich “ondubbelzinnig en zonder voorbehoud” als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam te gedragen (art. 4:192 lid 1 BW). Van dit gedrag is blijkens de Parlementaire geschiedenis (MvA, Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 933 en 934) sprake, als de erfgenaam “als heer en meester” over de nalatenschap beschikt. Beheershandelingen worden niet als daden van zuivere aanvaarding gekwalificeerd. Ook het voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit de Successiewet 1956 wordt niet beschouwd als een daad van aanvaarding (art. 71 lid 2 SW 1956). Art. 1095 oud BW noemde als daden die geen zuivere aanvaarding inhielden: “al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de daden dienende alleen tot bewaring, als ook die welke strekken om op de nalatenschap toezigt te hebben, of dezelve bij voorraad te beheeren”. Ook onder huidig erfrecht kunnen dergelijke daden niet als aanvaardingshandelingen worden beschouwd (Verstappen, T&C Erfrecht 2014, art. 192 BW Boek 4, aant. 5 en Asser/Perrick 4 2013/520). De scheidslijn tussen beheers- en beschikkingshandelingen is niet evident. De Hoge Raad oordeelde op 26 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4852, NJ 1969, 322 dan ook, dat het antwoord op de vraag of uit gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden, afhangt van de omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat een erfgenaam ten behoeve van de nalatenschap optreedt in een procedure, brengt niet zonder meer mee dat hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt (art. 4:192 lid 2 BW). Dat optreden kan immers ook als een daad van beheer worden uitgelegd. In haar Conclusie bij het arrest van 20 juni 2014 schrijft AG De Vries Lentsch-Kostense onder meer: “of uit een daad of gedraging de wil om zuiver te aanvaarden blijkt, is niet steeds zonder meer duidelijk. Strakke regels kunnen hier niet worden gegeven. (…). Vervolgens somt zij gevallen op uit recente rechtspraak, waarbij de rechter oordeelde dat erfgenamen geacht werden zuiver te hebben aanvaard: -      verhuur van de woning van erflaatster na haar overlijden (Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4288); -      toe-eigening van sieraden en banksaldi van de nalatenschap (waarna de erfgename heeft verworpen) (Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8233, NJF 2013/174); -      verkoop van het appartement van erflater door erfgenamen (Rb. Utrecht 21 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM1877); -      het leeghalen van de woning en het weggeven van inboedelgoederen van erflater (Rb. Alkmaar 17 februari 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BI1984, Prg. 2009/119). Vgl. ook Rb. Zutphen 22 april 2009, ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7755, besproken door E.A.A. Luijten en W.R. Meijer, “De positie van de minderjarige erfgenaam, beheer van het vermogen van een erflater”, TE 2009/4, p.66-71. In Rb. ’s-Gravenhage 23 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2012 (besproken door E.A.A. Luijten en W.R. Meijer, “Zuivere aanvaarding dor handelingen van een gevolmachtigde?”, TE 2012/6, p.115-119, werd geoordeeld dat verkoop van de onderneming van erflater door een gevolmachtigde van erfgenamen, niet geldt als een zuivere aanvaarding van de nalatenschap, omdat de erfgenaam geen bemoeienis heeft gehad met de verkoop. In o.a. Asser/Perrick 4 2013/520 worden verdere gevallen uit de rechtspraak met betrekking tot zuivere aanvaarding genoemd.   Arrest Hoge Raad 20 juni 2014 Moet het optreden van een erfgenaam in een gerechtelijke procedure worden aangemerkt als een daad van zuivere aanvaarding van de nalatenschap? De Hoge Raad oordeelde in 1968 reeds van niet. AG De Vries Lentsch-Kostense specificeert (onder 11 van haar Conclusie), met verwijzing naar de literatuur, dat de volgende gedragingen niet werden beschouwd als een daad van zuivere aanvaarding: -      het niet verschijnen na een dagvaarding; -      het niet aanwenden van een rechtsmiddel tegen een verstekvonnis; -      de erfgenaam verschijnt ter zitting maar onthoudt zich van verweer of refereert zich aan het oordeel van de rechter. Rb. Alkmaar 29 juni 1972, ECLI:NL:RBALK:1972:AC5248, NJ 1973/518 m.nt. DJV. Uit het instellen van rechtsvorderingen die een erfgenaam toekomen, kan in beginsel wél een wil tot zuivere aanvaarding worden afgeleid. De Hoge Raad bevestigt het arrest van 1968 door onder 3.4.5 te overwegen dat “de enkele omstandigheid dat een erfgenaam ten behoeve van de nalatenschap optreedt in een procedure, niet zonder meer meebrengt dat hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt (art. 4:192 lid 2 BW).” Wat leidt dan tot het oordeel dat D c.s. de nalatenschap zuiver hebben aanvaard? De feiten en omstandigheden “in samenhang beoordeeld” bepalen volgens de Hoge Raad of D c.s. zich “ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam hebben gedragen”. In lijn met het arrest van 1968 is het daarvoor voor de Hoge Raad (rov 3.5.1) relevant “als daarover bij de wederpartij geen enkele twijfel heeft bestaan”. Uit de in 3.5.1 onder (i)-(v) aangehaalde feiten en omstandigheden, in samenhang beoordeeld, kon het hof volgens de Hoge Raad (rov 3.5.2) afleiden dat ook D. in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de vader als heer en meester wenste te (blijven) beschikken over de door VGZ onverschuldigd aan de vader betaalde bedragen. Uit het verweer van de erfgenamen volgt immers (curs., PLC) dat zij zelf nauw betrokken zijn geweest bij de besteding van de voorschotbijdragen, terwijl bovendien een deel van de betalingen is verricht na het overlijden van de vader. Uit het oordeel van hof en Hoge Raad kan worden afgeleid dat erfgenamen niet slechts verweer hebben gevoerd, maar dat zij dit verweer (de feiten en omstandigheden in aanmerking genomen) hebben gevoerd met als doel om als erfgenamen (als “heer en meester”) te kunnen (blijven) beschikken over de PGB-gelden en dus zuiver hebben aanvaard.   Hof ’s-Gravenhage 8 april 2014 Eerder in 2014 oordeelt het hof Den Haag in een geheel ander geval over de erfrechtelijke gevolgen van het handelen van erfgenamen. Centraal staat wederom de vraag of geïntimeerden (“erfgenamen twee en drie”) de nalatenschap van de op 9 maart 2008 overleden erflaatster, zuiver hebben aanvaard. De feiten zijn als volgt. Op de dag van overlijden hebben genoemde twee erfgenamen de uitvaart geregeld zoals het verzamelen van adressen, schrijven van enveloppen, het uitzoeken van de kist en het bestellen van bloemen. Vervolgens hebben zij gezamenlijk met hun partners een maaltijd genoten bij restaurant “De Koperen Pan” te Delft. De rekening voor de maaltijd van € 119 werd ten laste van het banksaldo van erflaatster betaald. Verder heeft één van hen zijn vordering uit hoofde van het betalen van de kosten van de koffietafel bij voorrang ten laste van de nalatenschap gebracht. Appelante is mede-erfgenaam (“erfgenaam één”) en heeft een vordering op erflaatster van € 11.072,80. De uitspraak van de kantonrechter Gouda is niet gepubliceerd. Uit de context van het arrest van het hof lijkt de vordering van erfgenaam één te zijn ontstaan uit een ouderlijke boedelverdeling, getroffen door de vader van erfgenaam één. Vader overleed op 17 april 1999 en deelde zijn bezittingen toe aan erflaatster. Aan erfgenaam één deelde hij toe, een vordering op erflaatster van genoemd bedrag, onder gehoudenheid van erflaatster om aan erfgenaam één een enkelvoudige rente te vergoeden van 6% per jaar. Uit het arrest leid ik af dat de kantonrechter bij vonnissen van 30 augustus en 22 november 2012 van mening is dat uit de gedragingen van erfgenamen twee en drie ‘niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat zij de nalatenschap van erflaatster hebben aanvaard’. Het hof oordeelt ten aanzien van het met voorrang betalen van de kosten van de koffietafel: (…) Voor zover die vordering als kosten van de lijkbezorging in overeenstemming met de omstandigheden van de erflaatster is aan te merken, geldt dat geïntimeerde [erfgenaam twee] niet de rangorde van art. 4:7 lid 2 BW heeft aangehouden en in zijn hoedanigheid van executeur zijn vordering geheel heeft betaald ten laste van de nalatenschap. Geïntimeerde [erfgenaam drie] heeft daarmee ingestemd. Ten aanzien van de maaltijd, overweegt het hof: Naar het oordeel van het hof kan het gezamenlijk eten van geïntimeerden bij gelegenheid van de voorbereiding van de uitvaart van erflaatster niet worden aangemerkt als een daad van beheer. Niet valt in te zien dat het gezamenlijk eten met hun partners kan worden aangemerkt als een beheershandeling ten behoeve van de nalatenschap. Hoe gering het bedrag ook in hun ogen is, zij hebben gelden van de nalatenschap echter wel verbruikt ten eigen behoeve en er aldus als heer en meester over beschikt. Indien de vordering uit hoofde van het betalen van de kosten van de koffietafel als kosten van lijkbezorging kan worden aangemerkt, moet worden vastgesteld dat deze vordering zonder inachtneming van de vooromschreven rangorde is betaald ten laste van de nalatenschap met instemming van de erfgenamen, de geïntimeerden. De vordering van appelante heeft als schuld van erflaatster (art. 4:7 lid 1 letter a BW) immers gelijke rangorde. Voor zover als kosten van executele zijn aan te merken, geldt dat de vordering van appelante een hogere rangorde heeft (art. 4:7 lid 2 slot BW). De betaling van de onderhavige vordering van [erfgenaam twee] is gedaan met volledige instemming van [erfgenaam drie]. Geïntimeerden beroepen zich op een nadien op 8 april 2008 gedane beneficiaire aanvaarding, maar toen hadden zij al – zonder dat er sprake was van beheershandelingen – beschikt over nalatenschapsgelden ten eigen behoeve. Uit de stukken volgt dat [erfgenaam drie] ook de uitvaart en de koffietafel heeft geregeld en derhalve mede de opdrachtgeefster was. Naar het oordeel van het hof hebben geïntimeerden de nalatenschap van erflaatster door hun gedragingen zuiver aanvaard. Het hof vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in Gouda. In dit geval was het evident dat de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, waar het hof oordeelt: “hoe gering het bedrag (van het etentje, PLC) ook in hun ogen is, zij hebben gelden van de nalatenschap echter wel verbruikt ten eigen behoeve en er aldus als heer en meester over beschikt”. Toch lijkt de uitspraak enigszins onbevredigend. De feiten zijn, zoals gezegd, niet duidelijk. Maar, indien de schuld waarvoor erfgenamen twee en drie door erfgenaam één aansprakelijk worden gesteld, voortkomt uit een door de vooroverleden echtgenoot van erflaatster gemaakte ouderlijke boedelverdeling, dan was het maar de vraag of erfgenaam één iets van haar vordering had teruggezien als erfgenamen twee en drie niet zuiver hadden aanvaard. De in het testament van erflaatsters echtgenoot uitgedrukte verzorgingsgedachte bracht mee dat erflaatster de aan haar toegedeelde bezittingen na het overlijden van haar echtgenoot kon verteren. Zij blijkt dit ook te hebben gedaan, getuige het feit dat de nalatenschap onvoldoende verhaal biedt voor de vordering van erfgenaam één. Het resultaat van de uitspraak van het hof is, dat erfgenaam één garen spint bij de onbezonnen daad van erfgenamen twee en drie.   Slot Het arrest van het hof Den Haag kreeg aandacht van het televisieprogramma “Radar” (22 september 2014) in het kader van een item over “beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap” en dat is goed te noemen. Het leert het publiek om afstand te houden van een erfenis, totdat er meer duidelijk wordt over de omvang en samenstelling daarvan en totdat zij deskundig zijn geïnformeerd over de gevolgen van aanvaarding. De uitspraak van het hof Den Haag maakt de discussie actueel over de vraag of erfgenamen wettelijk moeten worden beschermd tegen de zuivere aanvaarding van een negatieve nalatenschap. Op 5 februari 2014 is het concept-Wetsvoorstel bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden (kortweg: “ Wet betos”) tezamen met de ontwerp-Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ter consultatie op het internet gepubliceerd. Het voorgestelde wetsartikel 4:194a BW bepaalt: “Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, kan binnen drie maanden na die ontdekking de kantonrechter verzoeken om geheel of gedeeltelijk te worden ontheven van zijn verplichting deze schuld uit zijn vermogen te voldoen voor zover deze niet uit zijn erfdeel kan worden voldaan. De kantonrechter stelt vast of en in hoeverre redelijkerwijs niet van de erfgenaam kan worden gevergd dat hij deze schuld uit zijn overige vermogen voldoet.” Dit wetsvoorstel gaat niet uit van een beneficiaire aanvaarding van rechtswege, zoals wel bepleit werd in het rapport “Erven zonder zorgen” van het Centrum voor Notarieel recht van de Radboud Universiteit in Nijmegen en Netwerk notarissen van 4 oktober 2012 en – onlangs - in het rapport van de Raad voor de Rechtspraak van 8 september 2014. Voor een uiteenzetting van het concept-wetsvoorstel en enige reacties daarop verwijs ik naar J.W.A. Biemans, “Reactie op het concept-Wetsvoorstel bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden”, WPNR 2014/7019 en P. Blokland, W. Burgerhart en W.D. Kolkman, “Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden: schuldeisers de klos met de ‘Wet betos’, in hetzelfde WPNR. Indien art. 4:194a ten tijde van de beide uitspraken in Boek 4 BW was opgenomen, hadden de erfgenamen uit het arrest van het hof bij genoemd wetsartikel zeker baat gehad en – als de door mij gesuggereerde feiten kloppen – niet ten onrechte. Mij dunkt dat dit voor de erfgenamen in de casus van het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2014 anders was geweest, omdat zij bezwaarlijk hadden kunnen verdedigen dat zij de schuld aan VGZ “niet kenden en ook niet behoorden te kennen”. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1489, Hof ’s-Gravenhage 8 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1799   P.J.F.M. Le Cat  

Afspraak maken of offerte opvragen

 

Verification

 

Contact

Koningslaan 4
1075 AC Amsterdam
020 - 573 63 11
020 - 679 98 28