Nogmaals: de zuivere aanvaarding van een nalatenschap

12 februari 2016

 

Artikel uit het juridisch tijdschrift Juridische Berichten voor het Notariaat (JBN 2016/5)
auteur: mr. P.J.F.M. Le Cat

 

Nogmaals: de zuivere aanvaarding van een nalatenschap

 

De Hoge Raad heeft op 22 mei 2015 in cassatie geoordeeld naar aanleiding van het arrest van het Hof ’s-Gravenhage van 8 april 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:1799, “De Koperen Pan”), besproken in JBN, 2015, 2. Het ging om de vraag of het betalen van een etentje van de erfgenamen ten laste van de nalatenschap gezien moet worden als een daad van zuivere aanvaarding. Het hof oordeelde bevestigend. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd.

 

Aansluitend aan het voorbereiden van de uitvaart van hun moeder, gebruiken twee van haar kinderen en hun partners een eenvoudige maaltijd bij restaurant “De Koperen Pan”. Zij betalen de nota van € 119 met de pinpas van erflaatster. Een schoonzuster van de erfgenamen leidt hieruit af dat de erfgenamen een daad van zuivere aanvaarding van erflaatsters nalatenschap hebben verricht. Als de nalatenschap van erflaatster onvoldoende verhaal biedt voor haar vordering verhaalt de schoonzuster haar vordering op het privé-vermogen van de erfgenamen (art. 4:184 lid 2 onder a BW).
Inzet van geding is de vraag of de erfgenamen zich “ondubbelzinnig en zonder voorbehoud” als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen hebben gedragen en daardoor de nalatenschap zuiver hebben aanvaard (art. 4:192 lid 1 BW). In het arrest van 26 april 1968, NJ 1969/322 oordeelde de Hoge Raad dat de beantwoording afhangt van de “omstandigheden van het geval”. Het onderwerp is daarmee casuïstisch en het hier te bespreken arrest van de Hoge Raad van 22 mei 2015 bewijst dat feiten verschillend kunnen worden uitgelegd: hof en Hoge Raad oordelen volstrekt tegenovergesteld. Alvorens het arrest van de Hoge Raad te bespreken, som ik de feiten op die bij het arrest zijn gepubliceerd en die bij de (eerder besproken) uitspraak van het hof van 8 april 2014 slechts beknopt waren weergegeven. Deze feiten geven een goed inzicht in de achtergrond van de vordering waarvoor de schoonzuster verhaal zoekt op het privé-vermogen van de erfgenamen.

 

Aan het arrest van de Hoge Raad ontleen ik het volgende.
De feiten
M en V zijn gehuwd en hebben drie kinderen: W, P en C.
M overlijdt op 17 april 1998 na het maken van een ouderlijke boedelverdeling. W, P en C ontlenen aan deze ouderlijke boedelverdeling ieder een vordering op V, onder gehoudenheid van V om aan de erfgenamen een enkelvoudige rente te vergoeden van 6% per jaar.
Vervolgens overlijdt C op 28 november 2000, achterlatende zijn echtgenote A en twee kinderen. Tot de nalatenschap van C behoort een vordering van C op V van € 11.072,80.
Erflaatster overlijdt op 9 maart 2008. Zij heeft bij testament W en P tot erfgenamen benoemd en de kinderen van C onterfd.
Op de dag van overlijden regelen W en P de uitvaart: zij verzamelen adressen, schrijven enveloppen, zoeken de kist uit en bestellen bloemen. Vervolgens nuttigen zij gezamenlijk met hun partners de roemruchte maaltijd bij restaurant “De Koperen Pan” te Delft.
De rekening voor de maaltijd van € 119 wordt met de pinpas van erflaatster en ten laste van haar banksaldo betaald.
Bij akte op 8 april 2008 hebben W en P de nalatenschap beneficiair aanvaard.
De nalatenschap kent een negatief saldo.
A vordert de hoofdelijke veroordeling van W en P tot betaling van het bedrag van
€ 11.072,80. Daaraan legt zij ten grondslag dat W en P de nalatenschap zuiver hebben aanvaard nu zij een maaltijd hebben genuttigd op kosten van de nalatenschap. W en P betwisten de vordering met het argument dat zij de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard en de genoemde handelingen betrekking hadden op de (voorbereiding van de) uitvaart van erflaatster.

 

Kantonrechter en hof.
De kantonrechter oordeelt bij vonnissen van 30 augustus en 22 november 2012 dat uit de gedragingen van erfgenamen “niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat zij de nalatenschap van erflaatster hebben aanvaard”.
Het hof wijst de vordering van A alsnog toe. Voor een citaat van de belangrijkste overwegingen van het hof verwijs ik naar JBN 2015, 2. Kort gezegd is het hof van oordeel dat het gezamenlijk eten van W en P bij gelegenheid van de voorbereiding van de uitvaart van erflaatster niet kan worden aangemerkt als een daad van beheer. “Hoe gering het bedrag ook in hun ogen is, zij hebben gelden van de nalatenschap echter wel verbruikt ten eigen behoeve en er aldus als heer en meester over beschikt”, aldus het hof.
W en P beroepen zich op een nadien op 8 april 2008 gedane beneficiaire aanvaarding, maar toen hadden zij al – zonder dat er sprake was van beheershandelingen – beschikt over nalatenschapsgelden ten eigen behoeve. Voor het hof was het evident dat de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Het gevolg is, dat A zich voor haar vordering niet slechts op de nalatenschap van erflaatster kon verhalen, maar ook op het (overige) vermogen van de erfgenamen W en P (art. 4:184 lid 2 onder a. BW).
In JBN, 2015, 2 schreef ik, dat ik de uitspraak enigszins onbevredigend vond. Ik sprak het – nu bevestigde – vermoeden uit dat de schuld waarvoor erfgenamen W en P door erfgenaam A aansprakelijk zijn gesteld, voortkomt uit de door de overleden echtgenoot van erflaatster gemaakte ouderlijke boedelverdeling. De in het testament van erflaatsters echtgenoot uitgedrukte verzorgingsgedachte bracht mee dat erflaatster de aan haar toegedeelde bezittingen na het overlijden van haar echtgenoot kon verteren. Zij blijkt dit ook te hebben gedaan, getuige het feit dat de nalatenschap onvoldoende verhaal bood voor de vordering van de (kinderen van) A. Zij spinnen garen bij de (veronderstelde) zuivere aanvaarding door W en P. De vordering van de (kinderen van) A uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling was illusoir geweest als het hof omtrent de zuivere aanvaarding door W en P anders had geoordeeld.

 

Hoge Raad 22 mei 2015
De Hoge Raad oordeelt in cassatie als volgt:
3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het hof met zijn oordeel dat de betaling ten laste van de nalatenschap van het gezamenlijke eten op de sterfdag van erflaatster als een daad van zuivere aanvaarding in de zin van art. 4:192 lid 1 BW moet worden aangemerkt, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof heeft een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip ‘daad betreffende de begrafenis’ (onderdeel 1.1). Voorts heeft het hof niet gerespondeerd op de stellingen van W (i) dat hij de kosten van de maaltijd als executeur heeft voldaan, (ii) dat de erfgenamen en hun partners op de sterfdag van moeder vanuit haar huis in Delft haar begrafenis en uitvaart hebben geregeld, (iii) dat er geen eten of drinken in het huis van moeder was, (iv) dat de eisers en hun partners vanwege het regelen van de begrafenis te ver van huis waren om thuis te eten en (v) dat de kosten van de door hen genuttigde eenvoudige maaltijd daarom als kosten van de begrafenis zijn aan te merken (…) Ten aanzien van P is het oordeel bovendien onjuist of onbegrijpelijk omdat het hof niet heeft vastgesteld dat zij wist of behoorde te weten dat de betaling van de bankrekening van de nalatenschap is verricht of dat zij met die betaling heeft ingestemd (…).
3.4.1 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2: Art. 4:192 lid 1 BW bepaalt dat een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als en zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, daardoor de nalatenschap zuiver aanvaardt, tenzij hij zijn keuze (voor beneficiaire aanvaarding of verwerping) reeds eerder heeft gedaan. Het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van de erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid de nalatenschap te aanvaarden, hangt af van de omstandigheden van het geval. Wanneer er twee of meer erfgenamen zijn, hangt het in beginsel van de gedragingen van iedere erfgenaam afzonderlijk af of hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. (HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1489, NJ 2014, 508)
3.4.3 Art. 1095 (oud) BW rekende tot de handelingen waaruit geen stilzwijgende (zuivere) aanvaarding van de nalatenschap mag worden afgeleid ‘al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft’. Het oordeel van het hof dat deze regel onder het huidige art. 4:192 lid 1 BW zijn gelding heeft behouden, is juist.
Immers, handelingen die erop zijn gericht de erflater een passende uitvaart te bezorgen, strekken naar hun aard niet ertoe te eigen bate over nalatenschapsgoederen te beschikken. Uit de omstandigheid dat een erfgenaam tot dat doel in redelijkheid gemaakte kosten ten laste van de nalatenschap laat komen, kan dan ook niet diens bedoeling worden afgeleid de nalatenschap zuiver te aanvaarden.
3.4.4. Het antwoord op de vraag of sprake is van de hiervoor in 3.4.3. bedoelde handelingen, respectievelijk kosten, hangt af van de omstandigheden van het geval.
3.5. Uitgaande van het voorgaande klaagt onderdeel 1.1. terecht over het oordeel van het hof. Tot de handelingen die erop zijn gericht de erflater een passende uitvaart te bezorgen, kan een overleg op de sterfdag als hier aan de orde worden gerekend. Het maken van redelijke kosten daarvoor ten laste van de nalatenschap kan dan niet worden aangemerkt als een daad van aanvaarding. De kosten van een maaltijd als de onderhavige kunnen onder omstandigheden tot zodanige kosten worden gerekend. De hiervoor onder 3.3 onder (ii)-(iv) genoemde omstandigheden – van de juistheid waarvan in cassatie moet worden uitgegaan – rechtvaardigen zonder meer dat die kosten van de onderhavige eenvoudige maaltijd moeten worden gerekend tot de kosten van de uitvaart. In het licht van die omstandigheden is het oordeel van het hof dan ook onjuist.
(…)
3.8 De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat A niet heeft weersproken dat de kosten van de maaltijd zijn gemaakt onder de hiervoor in 3.3 onder (ii)-(iv) genoemde omstandigheden. Derhalve is van zuivere aanvaarding van de nalatenschap door de erfgenamen, alvorens zij deze beneficiair hebben aanvaard, geen sprake geweest. Zij zijn dan ook niet gehouden de schuld van de nalatenschap aan A uit eigen vermogen te voldoen. Het eindvonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd op de wijze als in het dictum vermeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2014 (…)
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 november 2012 voor zover de vorderingen van A zijn afgewezen;
(…)

 

Conclusie
AG Hammerstein schrijft in zijn Conclusie bij het arrest: “het recht moet voor gewone mensen begrijpelijk blijven en niet leiden tot toepassingen die een absurde uitkomst tot gevolg hebben.” Daarom is deze uitkomst van het geschil – dunkt mij – bevredigend te noemen: de uitgaaf ten laste van de nalatenschap voor een eenvoudige maaltijd in het kader van voorbereidingen van een uitvaart en het daaruit volgende verhaal op het privé-vermogen van de erfgenamen stonden immers in geen verhouding tot elkaar.
Maar op welke overweging komt de Hoge Raad tot dit oordeel? De Hoge Raad baseert zijn arrest op de overweging dat de uitgaaf voor het etentje in de Koperen Pan moet worden beschouwd als kosten die verband houden met “daden betreffende de begrafenis”. De Hoge Raad neemt daarbij de omstandigheden van r.o. 3.3 sub (ii)-(iv) waaronder deze uitgaaf gedaan is, in aanmerking. In de commentaren die naar aanleiding van het arrest van het hof zijn verschenen is aan deze ruime interpretatie van “daden betreffende de begrafenis” van art. 4:1095 (oud) BW, voorbij gegaan. Ook het hof heeft verzuimd om te onderzoeken of genoemde uitgaaf onder die beheersdaden zou kunnen vallen. Het bewijst dat de associatie “etentje – begrafenis” niet onmiddellijk is gelegd. AG Hammerstein is van mening dat “het maatschappelijk wenselijk (is) het begrip kosten in relatie tot de begrafenis niet te krap op te vatten. Het gaat niet alleen om de kosten van lijkbezorging maar om alle kosten die met het oog op een voor de erflater passende uitvaart of begrafenis zijn gemaakt.” Dat ook de Hoge Raad de oplossing heeft gevonden in een ruime uitleg is begrijpelijk, maar maakt het er voor “gewone mensen” in deze casuïstische materie niet duidelijker op. Immers, was de Hoge Raad tot een ander oordeel gekomen als de onder r.o. 3.3. onder (ii)-(iv) geschetste omstandigheden anders waren geweest? Bijvoorbeeld: de erfgenamen hadden de uitvaart dichter bij huis geregeld of er was wel voldoende te eten in het huis van erflaatster, maar men koos toch voor een (eenvoudige) maaltijd in een restaurant?

 

Slot
Het heeft erfgenamen W en P de gang langs drie instanties gekost om een eindoordeel over hun handelen na het openvallen van de nalatenschap te verkrijgen. Dit voorbeeld uit de rechtspraak bewijst welke gevaren er verbonden kunnen zijn aan het beschikken over een erfenis waarvan de omvang en samenstelling nog onzeker is. Dat de maatschappij gebaat is bij meer duidelijkheid en bescherming in gevallen als deze is evident. In JBN 2015,2 noemde ik het concept-Wetsvoorstel bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden (kortweg: “ Wet betos”). De eindstreep van dit wetvoorstel is nog allerminst in zicht. W.D. Kolkman (TE februari 2015, nr. 1 en eerder in FTV 2012/27) en W. Burgerhart (FTV, 2014, 9, artikelnummer 47) pleiten in hun commentaren bij het arrest van het Hof Den Haag voor een stelsel waarbij de beneficiaire aanvaarding de hoofdregel wordt. Juist voor een zuivere aanvaarding (of verwerping) moet een uitdrukkelijke keuze worden uitgebracht. Het is een nuancering van de saisine. Totdat deze initiatieven hebben geresulteerd in wetgeving, heeft het notariaat de belangrijke taak om erfgenamen goed voor te lichten, in het bijzonder om bij het openvallen van een erfenis terughoudend te zijn bij het verrichten van handelingen die als een daad van zuivere aanvaarding kunnen worden uitgelegd.

 

Hoge Raad 22 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1284)

 

P.J.F.M. Le Cat

Afspraak maken of offerte opvragen

 

Verification

 

Contact

Koningslaan 4
1075 AC Amsterdam
020 - 573 63 11
020 - 679 98 28